WORD LID BEL ONS MAIL ONS

Wijzigingen in de WW

De Wet werk en zekerheid brengt niet alleen wijzigingen aan in de rechtspositie van flexwerkers en in het ontslagrecht. Een derde pijler van de wet betreft de wijzigingen in de Werkloosheidswet.

In het sociaal akkoord van april 2013, dat ten grondslag ligt aan de WWZ, is onder meer afgesproken dat de opbouw voor de WW en de uitkeringsduur worden aangepast en dat de regeling meer gericht moet worden op van werk-naar-werk. Dit heeft geleid tot een pakket maatregelen die deels onlangs per 1 juli 2015 in werking zijn getreden en deels pas volgend jaar per 1 januari 2016.

Veranderingen per 1 juli 2015
Met ingang van 1 juli 2015 is de WW op verschillende punten gewijzigd. Hoewel die veranderingen niet groot lijken en daardoor minder aandacht krijgen, kunnen ze wel (in individuele gevallen) ingrijpend zijn. Het betreft de volgende wijzigingen:
• betaaltermijn;
• verrekening van inkomsten;
• opgave van inkomsten;
• berekening dagloon;
• garantiedagloon;
• aanvaarden van passend werk.

Voorwaarden voor WW-uitkering
De werknemer moet werkloos zijn. Er is sprake van werkloosheid als de werknemer voor minimaal vijf uur per week ontslagen is. Werkt de werknemer normaal gesproken minder dan tien uur per week, dan geldt deze eis van vijf uur niet. Wel moet de werknemer dan minimaal de helft van het (gemiddeld) aantal uren per week verliezen. En de werkgever is niet verplicht om het loon van de werknemer door te betalen. Het gaat dan met name om de zogenoemde fictieve opzegtermijn). En de werknemer moet beschikbaar zijn om een nieuwe baan te accepteren.
1. De werknemer voldoet aan de zogenoemde wekeneis. Dit houdt in dat de werknemer in de afgelopen 36 weken minimaal in 26 weken gewerkt moet hebben. Een week telt al mee als in die week een uur gewerkt is. De periode van 36 weken kan worden verlengd met de perioden van ziekte of arbeidsongeschiktheid en onbetaald verlof die in die periode van 36 weken liggen.
2. De werknemer mag niet verwijtbaar werkloos zijn. Van verwijtbare werkloosheid is sprake als de werknemer zonder zwaarwichtige reden zelf ontslag genomen heeft of op staande voet is ontslagen.

Betaaltermijn
Tot 1 juli 2015 vond de betaling van de WW-uitkering nog per vier weken plaats. Vanaf 1 juli 2015 is dit in een maandelijkse betaling omgezet. Voor WW-uitkeringen, die voor 1 juli 2015 zijn ingegaan, blijft de betaling per vier weken.

Verrekening van inkomsten
Tot 1 juli 2015 vond, wanneer er sprake was van inkomsten, verrekening plaats op basis van het aantal gewerkte uren, ongeacht de hoogte van de inkomsten (urenverrekening). Vanaf 1 juli 2015 vindt verrekening plaats op basis van de daadwerkelijke verdiensten (inkomstenverrekening). De urenverrekening wordt dus vervangen door inkomensverrekening. Daarbij wordt een deel van de (extra) inkomsten in mindering gebracht op de uitkering: in de eerste twee maanden van werkloosheid wordt 75% en daarna 70% van het inkomen met de WW-uitkering verrekend. Daardoor wordt werken naast een WW-uitkering altijd lonend. Wanneer de inkomsten uit werk per maand hoger zijn dan 87,5% van het WW-maandloon, wordt de WW-uitkering beëindigd.

Opgave van inkomsten
Door de wijziging van betaaltermijn en door overgang van urenverrekening naar inkomstenverrekening wijzigt ook de wijze waarop de inkomsten moeten worden opgegeven. Na afloop van elke maand dient een werkzoekende met een WW-uitkering de inkomsten door te -geven aan UWV, door middel van het formulier Inkomstenopgave via Mijn UWV. Ook als er geen inkomsten zijn, is de werkzoekende met een WW-uitkering verplicht dit op deze wijze aan UWV door te geven. Het UWV berekent, mede op basis van deze informatie, de hoogte van de uitkering en verrekent eventuele inkomsten. Het lastige van deze wijziging is dat het UWV de WW-uitkering pas betaalt nadat het formulier is ontvangen. De betaling vindt plaats binnen drie tot tien werkdagen nadat het formulier is ontvangen. Door deze nieuwe methode van verrekenen en betalen kunnen werklozen in de (financiële) problemen komen.

Berekening dagloon
Tot 1 juli 2015 werd het uitkeringsdagloon berekend door het loon, verdiend in het jaar voorafgaand aan de werkloosheid, te delen door het aantal gewerkte dagen. Als er niet het hele jaar was gewerkt, telden alleen de daadwerkelijk gewerkte dagen bij de laatste werkgever bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering. Vanaf 1 juli 2015 vindt berekening van het dagloon voor de WW-uitkering plaats op basis van het sv-loon (sociale verzekeringsloon) dat een werknemer verdiende in de periode van twaalf maanden, bij één of bij verschillende werkgevers, direct voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. Het totale loon dat is verdiend over het jaar wordt gedeeld door 261 (het gemiddeld aantal uitkeringsdagen in een jaar). Wanneer iemand korter dan twaalf maanden heeft gewerkt, wordt het dagloon voor de WW dus lager dan het gemiddelde dagloon dat men zou krijgen als men alleen de daadwerkelijk gewerkte periode als uitgangspunt zou nemen. Ook wanneer de werknemer ziek is geweest in het jaar voordat hij werkloos werd, kan zijn WW-uitkering lager zijn.

Garantiedagloon
Vanaf juli 2015 geldt een gewijzigd garantiedagloon. Deze wijziging moet stimuleren dat werknemers die met ontslag worden bedreigd direct aansluitend een minder betalende baan accepteren en werklozen vanuit de WW sneller een baan accepteren die minder betaald dan hun vorige dienstbetrekking. Door het garantiedagloon wordt het hogere loon van de vorige dienstbetrekking als uitgangspunt genomen voor de berekening van de WW-uitkering.

In de eerste situatie, een werknemer gaat van werk naar werk waarbij hij een baan tegen een lager loon aanvaard, gelden vanaf 1 juli 2015 de volgende voorwaarden:
de eerdere dienstbetrekking moet minimaal één jaar hebben geduurd;
aansluitend op de beëindiging van de eerdere dienstbetrekking is/zijn één of meerdere dienstbetrekkingen aangegaan waardoor er geen recht op een WW-uitkering is ontstaan;
de latere dienstbetrekking waaruit betrokkene werkloos is geworden moet zijn geëindigd binnen 54 weken na het einde van de eerdere dienstbetrekking.

Gaat een werkloze vanuit de WW aan de slag bij een werkgever en wordt hij daarna weer werkloos dan gelden de navolgende voorwaarden:
• de werkloze heeft minimaal één jaar gewerkt in zijn oude baan, voordat hij werkloos werd;
• na deze baan had hij recht op een WW-uitkering;
• de WW-uitkering eindigt door het aanvaarden van een nieuwe baan;
• hij wordt opnieuw werkloos, de vorige WW-uitkering wordt niet voortgezet, maar de werkloze heeft wel recht op een nieuwe WW-uitkering;
• deze nieuwe uitkering start binnen één jaar na het begin van de vorige WW-uitkering.

Aanvaarden van passend werk
Vanaf 1 juli 2015 worden alle banen na een half jaar WW-uitkering als passend gezien. Dat betekent dat werkzoekenden na zes maanden ook moeten solliciteren op banen met een lager opleidings-, werk- en denkniveau. Ook het (lagere) salaris dat hierbij hoort, moet de werkloze accepteren. Dit geldt ook als de reistijd langer is dan hij gewend was of als het om werk gaat voor minder uren per week. Doordat voor de WW nu de inkomsten worden verrekend in plaats het aantal gewerkte uren (zie hiervoor), vult de WW-uitkering het inkomen aan als een werkzoekende gaat werken voor een lager inkomen dan het WW-maandloon.

De fictieve opzegtermijn
Een werkgever moet bij ontslag rekening houden met de (wettelijke) opzegtermijn. Als er bij het ontslag geen rekening is gehouden met een opzegtermijn of als er een te korte opzegtermijn in acht is genomen, dan start de WW-uitkering pas na afloop van deze periode.
Omdat er bij ontslag met wederzijds goedvinden juridisch gezien geen rekening hoeft te worden gehouden met een opzegtermijn, spreekt men ook wel van een fictieve opzegtermijn. De Werkloosheidswet doet namelijk net alsof de werkgever de opzegtermijn wel in acht heeft genomen.

Verandering per 1 januari 2016
Met ingang van 2016 verandert de WW op twee punten. Dit zijn:
• aanpassing duur WW
• aanpassing opbouw WW

Aanpassing duur WW
Tot 1 januari 2016 bedraagt de uitkeringsduur voor de WW maximaal 38 maanden. Dit wordt stapsgewijs verkort tot maximaal 24 maanden. Vanaf 1 januari 2016 gaat de maximale duur van de WW-uitkering met één maand per kwartaal omlaag. Vanaf 1 april 2019 is de maximale WW-uitkering dan 24 maanden. De hoogte van de WW-uitkering blijft gelijk. In het sociaal akkoord van 11 april 2013 hebben de werkgevers- en werknemersorganisaties afgesproken dat op cao-niveau de huidige hoogte en duur van de WW-uitkering gehandhaafd kan worden. Bij cao kunnen dus afspraken gemaakt worden over verlenging van de publieke WW-uitkering.

Aanpassing opbouw WW
Vanaf 2016 verandert de opbouw van de WW. Gedurende de eerste tien jaar van hun loopbaan bouwen werknemers per gewerkt jaar één maand WW-recht op. Daarna is de opbouw een halve maand recht per gewerkt jaar.
Iemand die een arbeidsverleden heeft van 26 jaar heeft 10 maanden (10 x 1 maand) plus 8 maanden (16 x 0,5 maand), dus totaal 18 maanden WW-rechten opgebouwd.

Overgangsrecht
Voor de wijzigingen per 1 juli 2015 geldt dat voor personen die reeds voor 1 juli 2015 een uitkering hadden de wijzigingen ten aanzien van de betaaltermijn, de verrekening van inkomsten, de berekening van het dagloon, de garantieregeling en het aanvaarden van passende arbeid voor hen niet van toepassing is. De regels die voor hen golden voor 1 juli 2015 blijven voor de resterende duur van hun uitkering van toepassing.
Bij de berekening van het recht op WW na 1 januari 2016 wordt het arbeidsverleden tot 1 januari 2016 berekend op basis van het recht zoals dat geldt op 31 december 2015. De WW-rechten die zijn opgebouwd tot 1 januari 2016 blijven tellen voor 1 maand. Voor werknemers die per 1 januari 2016 recht hebben op een WW-uitkering tussen 25 en 38 maanden geldt nog een extra overgangsrecht. In de periode vanaf 1 januari 2016 tot 1 april 2019 wordt de WW duur per kwartaal aftellend teruggebracht naar 24 maanden.

Derde WW-jaar
In het Sociaal akkoord van april 2013 spraken de sociale partners af dat het mogelijk wordt op cao-niveau een aanvulling van veertien maanden op de WW te introduceren. Deze cao-afspraken moeten dan in beginsel algemeen verbindend worden verklaard. Over de financiering is afgesproken dat de premies hiervoor door zowel werkgevers als werknemers worden betaald (op 50-50 basis).
In haar brief van 11 juli 2014 adviseert de Stichting van de Arbeid partijen om afspraken over de aanvullende WW onder te brengen in een aparte, eventueel sector overstijgende cao, waarvan de looptijd niet gekoppeld is aan de looptijd van reguliere cao’s die vaak een beperkte duur heeft. Voor de uitvoering schetst de Stichting van de Arbeid drie mogelijkheden:
• door UWV (voordeel: goede aansluiting tussen publieke WW en private aanvulling, één uitvoeringsorganisatie);
• door private verzekeringsmaatschappijen;
• door een speciaal voor dit doel op te richten fonds, of onderbrenging bij een bestaand sectoraal of cao-fonds.

Ook de SER noemt in haar advies, dat overigens sterk inzet op preventie en werk-naar-werk, de verschillende mogelijkheden. De keuze is aan de decentrale cao-partners. Wat betreft de uitvoering noemt de SER het UWV of een andere publieke partij uit de keten van werk en inkomen. Ook kan gedacht worden aan een uitvoerder van een aanvullende pensioenregeling. De SER bepleit een structureel lastendekkende premie, die de gemiddelde werkloosheidslasten over tien jaar (inclusief bemiddeling, re-integratie, enz.) dekt. Dit moet leiden tot een stabiele premie die niet conjunctuurversterkend werkt.
Tot concrete afspraken over de reparatie van de WW-aanspraken is het nog niet gekomen, wel bevatten veel recent afgesloten cao-akkoorden een bijna standaard protocolafspraak (we gaan erover praten met de brief van de Stichting van de Arbeid en het SER-advies als uitgangspunt).

Tot slot
Hoewel veel aandacht is voor de arbeidsrechtelijke kant van de Wet werk en zekerheid, mogen de wijzigingen in de WW niet vergeten worden. Sommige van die wijzigingen kunnen echt ingrijpend zijn, zowel positief als negatief. Denk bijvoorbeeld aan de aanpassing van de verrekening van inkomsten. De aanpassing van het dagloon leidt in sommige gevallen tot en groot (negatief) verschil met de methode zoals die voor 1 juli 2015 werd toegepast. Van verschillende kanten is erop aangedrongen om dit te corrigeren, maar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangegeven dat onderdeel niet te zullen aanpassen.

Bron: Loonzaken 2015, aflevering 6 – Auteur: M.H.G.A. Vink

Adviseurs

Allard Moolenaars
Juridische zaken en arbeidsvoorwaarden.
  023 515 88 42
mail mij